8 december 2005: Brief van Minister Veerman
Nederlandse Postduivenhouders Organisatie
De heer A.C. Ebben, directeur
Landjuweel 38
3905 PH VEENENDAAL
uw brief van: 7 november 2005 uw kenmerk: OA 0733 ons kenmerk: VD. 2005/3409
datum: 8 december 2005 onderwerp: Regelgeving Al. (TRC 2005/6120)
Geachte heer Ebben,
In uw brief van 7 november 2005 staat de vraag centraal waarom postduiven in de definitie van pluimvee zijn opgenomen, omdat de postduiven daarmee onder het regime van de maatregelen ter voorkoming van de insleep van Aviaire Influenza (Al) vallen.
Dit heeft voor de leden van uw organisatie allerlei gevolgen, met name vanwege het
tentoonstellingsverbod. U refereert aan het feit dat naar aanleiding van de Al-uitbraak in 2003 is vastgesteld dat de postduif ongevoelig is voor hoogpathogene varianten van Al.
Op de stelling dat de postduiven ongevoelig zijn voor Al moet ik evenwel, op basis van meer recente wetenschappelijke inzichten, een relevante nuance aanbrengen. De postduif is in 2003 namelijk weliswaar ongevoelig gebleken voor de toen heersende variant H7N7; deze ongevoeligheid is echter niet van toepassing op de H5N1-variant die ook in Europa de kop opsteekt. Dat betekent dat de postduif deze laatste virusvariant kan opnemen en verspreiden. Het is daarmee uit veterinair oogpunt noodzakelijk om maatregelen, bedoeld om het risico op insleep van Al te verminderen, ook van toepassing te verklaren op postduiven.
Evenwel is uit de risicobeoordeling die de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) met betrekking tot evenementen met postduiven heeft uitgevoerd, gebleken dat er in de huidige dreigingsituatie geen onacceptabele risico’s bestaan, behalve wanneer het gaat om internationale tentoonstellingen. Dat betekent dat de VWA voor zeer veel evenementen met postduiven ontheffing van het tentoonstellingsverbod zal geven.
U schrijft verder in uw brief dat er verwarring heeft geheerst bij de organisatoren van
postduivenevenementen in de eerste week na de invoering van het tentoonstellingsverbod, zijnde 31 oktober 2005. Evenwel zijn nog diezelfde week de organisatoren van reeds aangemelde evenementen schriftelijk ingelicht over de wijziging van een meldingssysteem naar een ontheffingsprocedure met bepaalde voorwaarden.
Ik moet achteraf constateren dat het tijdschema voor communicatie over en verwerking van ontheffingsaanvragen aan de krappe kant was. Wanneer er in zo’n krap tijdspad ergens iets misgaat, bijvoorbeeld door bereikbaarheidsproblemen, onduidelijkheid over de procedure of anderszins, dan kan de organisatie van een evenement in de problemen komen op een wijze zoals door u geschetst. Ik betreur het dat kennelijk om redenen van onduidelijkheid, hoe dan ook ontstaan, evenementen zijn afgelast.
Ik begrijp dat het voor uw organisatie niet altijd eenvoudig is intermediair te zijn tussen een overheid, die maatregelen moet nemen en leden die met die maatregelen geconfronteerd worden. Uw leden zullen echter de noodzaak voor maatregelen ter wering van Al onderschrijven, omdat ook zij de gevolgen van de uitbraak van Al in 2003 kennen. In de aanpak om het insleeprisico te reduceren gaat soms de snelheid van reageren onbedoeld ten koste van individuele belangen van personen of organisaties. Dat is spijtig omdat achteraf meestal te bedenken valt hoe zoiets beter had gekund.
Resumerend wil ik u dus danken voor de brief waarin u uitlegt dat het proces wat u betreft niet goed is gelopen. Een postduif is wat ons betreft niet hetzelfde als pluimvee, waarmee wij de definitie niet behoeven te wijzigen. De postduif kan echter wel een risico zijn in het kader van Al waardoor soms maatregelen geboden zijn.
DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,
dr. C.P Veerman



