Document acties
Home Achtergrond Bijdragen van de WOWD Rapport 2002 Vervoer en lossingen - kampioenschappen en vliegprogramma´s

Vervoer en lossingen - kampioenschappen en vliegprogramma´s

Rapport 2002-6

 In de eerste vijf afleveringen hebben we het gehad over omstandigheden die het vluchtverloop beïnvloeden. Het vluchtverloop is een optelsom van omstandigheden tijdens de verzorging, tijdens het vervoer, en na de lossing. Schieten er teveel van deze omstandigheden tekort, dan is het vluchtverloop slecht. Maar er zijn nog twee belangrijke omstandigheden te noemen die niet onder deze drie punten vallen. Namelijk het vliegprogramma en de kampioenschappen. Zij zijn indirect ook van invloed op het vluchtverloop. De jonge-duivenprogramma's en de kampioenschappen verschillen behoorlijk tussen de Afdelingen. In al die diversiteit is een aantal tips te geven om daarmee het risico op verlies te verlagen.

Meerdere startvluchten

Een jonge-duivenprogramma zou meerdere startvluchten moeten bevatten. Op de eerste drie jonge-duivenvluchten gaan relatief veel jonge duiven verloren. Jonge duiven die dan enkle dagen na de vluchtdag thuiskomen, moeten vaak enkele dagen tot enkele weken herstellen. Maar na die enkele dagen tot enkele weken moet er wel weer een nieuwe startvlucht zijn. Wanneer een dergelijke startvlucht niet wordt aangeboden, zal een deel van deze jonge duiven te vroeg worden ingekorfd; later kan het -vanwege de lange afstand- immers helemaal niet meer. Dit leidt stellig tot extra verliezen met jonge duiven! Een voorbeeld van een vliegprogramma met een 'tweede toer', staat in figuur 4. Een ander belangrijk punt is de afstandopbouw. Het lijkt goed die aan het begin van het seizoen niet met te grote sprongen op te laten lopen.

voorbeeld met herstartvlucht en tweede toer

 

Eén nacht mand

In de vorige artikelen is beschreven dat het vervoer in veel duivenwagens nogal te wensen overlaat. Er zijn nogal wat wagens zonder isolatie, zonder luchthapper, inlaatventilatoren of uitlaatventilatoren. Ook doen we teveel duiven in de mand. Daarnaast zijn de jonge duiven door hun onervarenheid kwetsbaar. Ze vechten veel, vinden geen drinkwater en hebben stress. Door de duiven met goedkeuring van de liefhebbers te wegen, weten we dat zelfs tijdens de Derby der Junioren nog aanzienlijke aantallen jonge duiven niet drinken tijdens vervoer! Vervoer van duiven in hun eerste seizoen moeten dus we beschouwen als een risico. Daarom is het onverstandig jonge-duivenvluchten met twee nachten mand te plannen. Zo worden onnodige risico's genomen.

Maximale afstand

De Nationale Derby der Junioren wordt nu niet vanuit Orleans vervlogen, maar vanuit Orleans, Troyes en Morlincourt (Wedvluchtreglement art. 129, lid 3). Natuurlijk is het jammer dat hiermee de allure van een landelijk concours verloren gaat. Maar het is een behoorlijke verbetering voor onze jonge duiven uit het Midden en het Noorden van het land. Alle andere Afdelings- en NPO-vluchten voor jonge duiven zouden echter maximaal 400 km. voor de langste afstand in de Afdeling moeten zijn. Uit het enquêteonderzoek is gebleken dat de verliezen op de eerste drie jonge-vluchten hoog zijn. Daarna dalen de verliezen naar rond de 2 procent per vlucht. Boven 400 kilometer nemen de verliezen per vlucht weer toe met een factor twee tot drie naar rond de 6 procent (zie fig. 2 in afl. 2). Deze resultaten zijn afkomstig uit een steekproef uit alle afdelingen, bestaande uit 409 duivenliefhebbers en 19450 jonge duiven.

Deze stellingname en het achterliggende enquêteonderzoek is al vaak bekritiseerd. Soms met opbouwende kritiek en interessante vragen. En dat is leuk. Maar soms wordt de onderzoeksopzet met veel vooroordelen bekritiseert, alsof het een lieve lust is. En worden eigen ervaringen onterecht als 'algemeen geldend' verheven. En dat is jammer. Misschien zegt ons persoonlijk gevoel iets anders. Maar wanneer we de harde feiten van enkele honderden liefhebbers over meerdere vluchten vergelijken, dan blijkt dat de verliezen op vluchten boven 400 km. drie keer zo hoog zijn als de verliezen op vluchten beneden 400 km. Als je dit toetst, blijkt het statistisch significant. Dat wil zeggen: de kans op een toevallig verschil is kleiner dan 1 procent. Als WOWD hebben we de onderzoeksopzet nog eens besproken met een docent Statistiek van de Wageningen Universiteit. Ook hij was van mening dat er op basis van dit onderzoek niet anders geconcludeerd kan worden, dan dat boven 400 km. de verliezen met jonge duiven werkelijk toenemen.

Niet alle vluchten tellen

Wanneer jonge duiven ziek zijn, iedere forme missen of wanneer de weersvoorspellingen bar en boos zijn, willen veel liefhebbers liever niet inkorven. Ze zijn wel 'zuinig op hun duiven', maar aan de andere kant trekt daar ook het kampioenschap. Want wanneer voor een kampioenschap alle vluchten meetellen, betekent niet inkorven meteen kansloos zijn voor een kampioenschap. Zo worden er regelmatig onnodige risico's genomen en gaan er beslist onnodig duiven verloren. Met name op het niveau van de basisverenigingen bestaat nog vaak de mening dat voor kampioenschappen alle vluchten moeten tellen. Een ongezonde situatie voor duif en liefhebber. Dit zou beslist anders kunnen. Bijvoorbeeld door van de 9 jonge-duivenvluchten de beste 7 te laten tellen. Zo kan een liefhebber eens zijn jonge duiven thuislaten, om welke reden dan ook. En geldt dit eigenlijk ook niet voor kampioenschappen met oude duiven?

Nationaal vliegprogramma

Wanneer u de vliegprogramma's van de afdelingen eens naast elkaar legt, valt één ding onmiddellijk op. Ze verschillen behoorlijk in aantal vluchten, opbouw, etc. Zo kent afdeling Oost-Brabant ongeveer tweemaal zoveel vluchten als Afdeling Friesland '96! Het heeft veel voordelen om jaarlijks in de Ledenvergadering NPO te komen tot een landelijk vliegprogramma. Waarin iedere afdeling hetzelfde aantal vitessevluchten, midfondvluchten, meerdaagse fondvluchten en jonge-duivenvluchten kent. Waarin iedere afdeling in hetzelfde weekend dezelfde soort en aantal wedvlucht houd. Waarin alle afdelingen dus ook tegelijk starten en eindigen met het vluchtseizoen. Aan dat vliegprogramma kunnen een aantal eisen worden gesteld (qua afstandsopbouw, nachten mand, kruislossingen, etc.). Dit maakt het duivenseizoen in ons land veel inzichtelijker. Er kan gemakkelijker worden geïnventariseerd welke wedvluchten er zijn in een weekend, bijvoorbeeld wanneer de weersomstandigheden bar en boos lijken. Ook kan er gemakkelijker een vergelijking worden uitgevoerd tussen afdelingen. Dit maakt het doen van onderzoek naar bijvoorbeeld weersinvloeden op het wedvluchtverloop een stuk eenvoudiger. Ook bij landelijke kampioenschappen kan een nationaal wedvluchtprogramma een voor iedereen gelijke en dus eerlijke basis vormen.


> Ga naar deel 7 (samenvatting)
< Ga naar deel 5

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.